Schaak - roman over een samenzwering tegen België

37.

 

Het had Ségal een halve dag gekost om Janssen te contacteren. Ze hadden afgesproken in café Opera aan het Muntplein en onder het nuttigen van een ouderwets geserveerde filter had hij zijn plan ont­vouwd.

‘Duquesne heeft de zaak wel grondig verknald, maar ik heb misschien een aanknopingspunt, een mogelijkheid om Mallants als­ nog te lokken en onschadelijk te maken. Ik hoorde gisteren namelijk toevallig dat Esther, een van mijn medewerksters, onlangs een verhou­ding is begonnen met Mallants.’

De rest van het gesprek speelde zich op fluistertoon af. Janssen knikte driftig en na een uur stonden beide mannen op, trokken hun regenjassen aan en stapten naar buiten. De kraag hoog opgezet tegen de druilerige regen liepen ze richting Adolf Maxstraat waar ze een ta­xi aanhielden.

De taxi stopte met piepende remmen. Twee heren in regenjas met opgeslagen kraag stapten uit, betaalden de chauffeur en begaven zich naar de overzijde van de straat. Het asfalt schitterde in het licht van de vroeg ontstoken straatlampen. Hier en daar strekte zich een plas regenboogkleuren uit. De kleuren verwrongen en slingerden wanneer het olieachtige water door de wind beroerd werd. De vreemdste en grilligste vormen kon men erin herkennen, maar de twee hadden er geen oog voor, ze stapten stevig door, draaiden de hoek van de straat om en belden aan bij het huis met nummer 4. Ze wachtten een tijdje en belden opnieuw, terwijl ze naar boven staarden. Achter één van de ramen floepte plots een licht aan en door de parlofoon klonk een krakerige, door meterslange koperdraad vervormde stem.

‘Ja, wie is 't?’

‘Esther, het is George Ségal. Het schijnt dat je ziek bent en ik was toevallig in de buurt en dacht: ik spring eens even binnen om te zien hoe het met je gaat.’

Heel even bleef het stil. Ségal keek naar Janssen en gebaarde hem geen geluid te maken.

‘Kom maar naar boven. Eerste verdieping.’

Esther haakte de telefoon bedachtzaam terug in. George Ségal op ziekenbezoek? Dat was iets nieuws. Dat had hij zelfs niet gedaan toen de sfeer op kantoor nog niet zo verziekt was. Ja, hij had Leonie opgezocht, maar dat was toen ze na een ongeval in het ziekenhuis lag. Ze was in haar haast om een groep tijdig in Zaventem van het vliegveld af te halen achter op een stilstaande wagen geknald en had er enkele gebroken ribben aan overgehouden. Maar nu, zomaar iemand die zich voor een dag ziek gemeld had, komen opzoeken? Raar. Misschien had hij wel spijt van zijn optreden de laatste weken en wilde het goedmaken. Ze zou wel zien. Ze overwoog om nog snel iets ordentelijk aan te trekken want ze stond nog steeds in haar nachtjapon. Ségal had haar uit bed gebeld. Maar toen besloot ze dat een zieke er niet ordentelijk behoort uit te zien. Ze woelde met haar vingers haar haren een beetje in de plooi, schoot een kamerjas aan en deed de voordeur van de knip.

‘Ha Esther, meid. Hoe is het met je? Ik hoorde dat je je ziek ge­meld had en vond dat nogal eigenaardig. Bij mijn weten ben je nog nooit ziek geweest. Dus ik dacht, ik spring eens binnen om te kijken of ze nog iets nodig heeft.’

Ségal had zijn breedste glimlach tevoorschijn getoverd en terwijl hij sprak loodste hij Janssen snel mee binnen,

‘Dit is mijnheer Janssen. Hij is een oude bekende van mij.’

‘Kom binnen, allebei. Zal ik een kop koffie zetten? En excuseer mij voor mijn uiterlijk, maar ik ben net uit bed.’

‘Ach, hebben we je uit bed gebeld? Had ik dat geweten dan had ik je rustig laten slapen. Stoor je maar niet aan je uiterlijk hoor, je moet je voor ons niet opdoffen. Daar zijn we trouwens al te oud voor, haha!’

Esther liet hen in de zitkamer binnen waar Ségal en Janssen plaatsnamen op het goedkope bankstel. Ze ging naar de keuken om koffie te zetten en raakte hoe langer hoe meer verward. Ségal was blijkbaar van het ene uur op het andere veranderd van een onbe­schofte brombeer in een walgelijk vriendelijk, zelfs flemende slijmbal. Ze kon er geen touw meer aan vastknopen. Maar allé, een kop koffie, wat zinloos geklets en dan zou ze hen weer de deur uitwerken onder het mom van haar ziekte. Onder het mom? Ze voelde zich nog steeds niet goed. Dat ze maar niet te lang bleven plakken. In de woonkamer keek Ségal bewonderend om zich heen. Die meid had klasse. Om met haar karig loon deze kamer zo stijlvol in te richten moest je een ware kunstenares zijn. Niet dat het er bulkte van dure spullen. Integendeel. Maar ze was erin geslaagd om met redelijk goedkope materialen toch een sobere, stijlvolle gezelligheid te creë­ren.

Esther kwam terug de kamer in met een dienblad waarop drie koppen koffie dampten. Ze zette ze neer op het bijzettafeltje en vroeg wie melk en suiker wilde. Ze knikten allebei. Na zich van haar taken als gastvrouw gekweten te hebben en nadat ze Ségal toestemming ge­geven had om te roken en hem van een asbak had voorzien ging ze zitten en wachtte af. Ségal dronk met voorzichtige teugjes van de gloeiend hete koffie, zette met een precies en afgemeten gebaar het kopje terug op het tafeltje en keek haar langdurig aan.

‘Kind je ziet er niet goed uit. Wat is er aan de hand? Ben je over­werkt of zo?’

Esther wist niet wat ze daarop moest zeggen, maar vooraleer ze het goed en wel besefte was ze beginnen praten over de toestand op het kantoor, over de stress die er nu heerste, het feit dat ze dat niet aan­kon en er deze morgen op afgeknapt was. Toen ze eindelijk zweeg rolden er enkele tranen over haar wangen. Ze kon zichzelf wel slaan. Nu had ze hem dat plezier toch nog gegund.

Ségal schrok een beetje van haar reactie. Was het werkelijk zo erg geweest? Dan werd het hoog tijd dat hij een tijdje verdween. Zo'n ongewoon gedrag kon verdenkingen, vragen oproepen en als er iets was waaraan hij nu geen nood had was het dat wel. Maar eerst moest dit varkentje gewassen worden.

‘Mijn god, lieve Esther, ik heb wel wat onder spanning gestaan, maar dat jullie dat zo opnamen wist ik niet. Mijn excuses daarvoor.  Jezus... daar ben ik nu een beetje de kop van in.’

Hij blikte haar héél schuldbewust aan. Naast hem zat Janssen zichzelf te verkneukelen over het theater dat zijn compagnon zo voortreffelijk speelde.

‘Weet je wat? Jij bent dringend aan vakantie toe. Je hebt hard ge­werkt het laatste jaar en praktisch géén vrije dag gehad. Knijp er maar eens twee weekjes tussenuit, ik geef je twee weken betaald ver­lof. Dan kan je wat óp je stukken komen en daarna fris en monter weer aan de slag.’

Esther schrok. Twee weken extra vakantie, ze wist niet meer waar ze het had. Hoe moest ze dat nu weer met elkaar rijmen?? Twee we­ken vakantie... Hoe zou ze daarvan hebben kunnen genieten als Rik nog bij haar zou zijn. Ze hadden erop uit kunnen trekken. Ar­dennen, kust, Brugge, Gent, het Limburgse natuurschoon ontdek­ken. De gedachte alleen al maakte dat ze zich beter voelde. Maar die klootzak was verdwenen, besefte ze plots weer en haar opflakkering doofde uit in pruttelende vlammetjes. Ségal merkte het.

‘Wat is er, is het niet genoeg?’

‘Oh jawel, hartelijk bedankt. Ik denk ook dat ik er eens aan toe ben om de boel te laten en er eens tussenuit te knijpen.’

‘Weet je wat je doet, bel meteen naar kantoor om het door te spe­len.’

Esther wou tegensputteren, maar Ségal duwde haar het telefoon­toestel op de schoot, drukte zélf het nummer en gaf haar de hoorn toen het signaal overging.

‘Euh... met Esther. Zeg, ik voel me compleet overspannen. Ik zal de eerste dagen niet op kantoor verschijnen. Wellicht trek ik voor twee weken naar mijn moeder, of ergens anders naartoe. Ik moet er eens uit en alles van mij af kunnen zetten.’

Ze keek op naar Ségal en zag hem minzaam glimlachen.

‘Ik zal het wel zélf regelen met George’, voegde ze eraan toe.’

Het had geen zin om hen te vertellen dat hij bij haar op de flat zat en haar deze verlofdagen cadeau gedaan had. Dat zou enkel tot verkeerde speculaties leiden. Ze legde de hoorn terug neer en zette het toestel naast zich op de grond. Ségal was opnieuw gaan zitten en keek haar nu met een strakke blik aan, alsof hij iets van haar verwachtte. Ze blikte naar de vriend van Ségal. Hoe heette hij ook alweer? Ze pij­nigde haar hersens. Oh ja, Janssen. Ook deze zat haar aan te staren en ze begon zich ongemakkelijk te voelen onder al die priemende blikken.

‘Nog zin in een kopje koffie?’

Ze vroeg het eigenlijk om de plotselinge, ongemakkelijke stilte te doorbreken.

‘Vertel jij ons nu maar eens waar Mallants zit.’

Esthers arm verstijfde halverwege de koffiekan. Het was Janssen die gesproken had. Ze keek hem aan met grote, ongelovige ogen en zakte terug in haar stoel. Ze dacht dat ze het niet goed verstaan had.

‘Wablief?’

‘Je hebt me goed gehoord. Vertel ons als de donder waar Mallants zit!’

Janssen had een hoge, ijle stem. Onaangenaam om naar te luiste­ren. Zijn hele verschijning was onaangenaam, stelde Esther vast. Mallants, godverdomme, wat had ze toch met die kerel. Eerst ver­dween hij spoorloos uit haar leven en vervolgens komt hier een com­pleet onbekende met haar baas  binnenwandelen en vraagt naar hem. Ze kon er geen touw aan vastknopen. Wat moesten die twee van Rik? Als het beroepshalve was hadden ze makkelijk naar de krant kunnen bellen. Esther had dat ook overwogen, enkele dagen geleden, maar besloten dat ze hem niet achterna zou lopen. Of misschien wis­ten ze op de krant ook niet waar hij zat. Maar waar hing hij dan uit? Misschien zat hij in problemen. Haar hart begon te jagen.

‘Ik weet niet waar hij uithangt. Trouwens, hoe zou ik het moeten weten?’

‘Hou je maar niet van de domme. We weten dat jullie een verhou­ding hebben.’

Verdomme, Leonie had haar mond voorbijgepraat. Je kon ook niets of niemand meer betrouwen de laatste tijd.

‘Gehad hebben. Ik heb hem al meer dan een week niet meer ge­zien. Hij heeft ook niets meer van zich laten horen. Voor mij heeft hij afgedaan. Een avontuurtje meer niet.’

Het klonk niet overtuigend. Ze méénde niet wat ze zei en dat was er duidelijk aan te horen. Janssen stond op en ging dreigend voor haar staan.

‘Luister dame, wij hebben geen tijd voor spelletjes.’

Als een flits schoot zijn arm uit en Esther voelde hoe haar rechter­wang rood opgloeide. Hij had haar geslagen. Hij had haar in haar eigen flat in haar gezicht geslagen. Plotseling nam een verterende angst haar bezit van haar. Hier klopte niets meer van. Rik zat over­duidelijk in nesten en ze zouden proberen hem via haar terug te vin­den. Met haar hand tegen haar gloeiende wang keek ze op naar Jans­sen die haar op hetzelfde moment opnieuw een klap in haar gezicht verkocht. Eventjes was ze verdoofd. Ze schudde het hoofd, probeer­de te protesteren en wilde uit haar zetel opstaan. Een volgende klap deed haar echter met een smak terug in de kussens belanden. Ze voelde hoe bloed uit haar neus drupte.

‘Waar is Mallants?’

Alweer een klap. Deze voelde ze niet eens meer. Ze registreerde al­leen maar. Waar is Mallants?? Ze wou dat ze het wist. Ze werd doodsbenauwd om hem. Om zichzelf. Waar was ze in terechtgeko­men? In welk smerig spelletje was Rik verwikkeld? Allemaal vra­gen. Allemaal klappen. Door haar tranen heen zag ze hoe Sègal ge­voelloos toekeek. Ze snotterde. Opgekropte woede en angst streden met elkaar om de voorrang, maar beide gingen gepaard met bran­dend hete tranen.

‘Ik weet het niet, echt niet!’

Ze snikte het uit. Ze lag nu half over de leuning van de zetel en het bloed uit haar neus vermengde zich met haar tranen vooraleer op het tapijt neer te druppelen. Ze zag nog net hoe het mengsel zachtroze spetters tekende toen Janssen haar met de haren rechttrok, haar kin vastgreep als zat ze in een bankschroef en zijn geniepige rattengezicht tot vlak voor het hare bracht.

‘Je zal het ons vertellen, smerig loeder!’

Hij siste tussen zijn tanden door. Druppeltjes speeksel kleefden zich vast aan haar gezicht, merkte ze. Ze voelde niets meer. Het was alsof ze als toeschouwer naar dit wansmakelijke toneeltje zat te kij­ken. Ze zag hoe Ségal opstond.

‘Misschien weet ze het écht niet, heeft die klootzak haar wérkelijk laten zitten?’

‘Ik weet het niet. Ze is ons enige houvast. Als ze écht niet weet waar hij zit, moeten we er maar op gokken dat hij haar na verloop van tijd toch zal proberen op te zoeken,’

Janssen liet haar los. Ze zakte als een meelzak in elkaar.

‘En als hij het niet doet?’

Janssen grijnsde zijn rattengebit bloot. ‘Dan is dat jammer voor haar.’

UA-100687733-1