Ik was een smokkelaar

Jef & Willy

(uittreksel uit : 'Ik was een smokkelaar - het turbulente leven van Jef van Limbergen' van Staf Hendrickx)

Kogels en kraaienpoten

Wat aanvankelijk werd aanzien als een lucratieve sport voor avonturiers draaide steeds meer uit op een kleine oorlog. De bewapening zowel van de smokkelaars als van de douaniers werd meer en meer geperfectioneerd. Omdat de Belgische boterproductie vanaf 1960 toenam, zat België zelf met een overschot van 8.000 ton boter. In 1962 smeet de overheid 1 miljoen kilo boter op de markt aan halve prijs in de hoop de smokkel af te remmen. De Belgische boerenbond eiste een hardere aanpak van de botersmokkel. Premier Lefèvre kocht daarom 40 snelle Amerikaanse wagens voor de douaniers, in de volksmond bekend als de “Highway Patrol” naar een Amerikaans feuilleton op tv. De premie van 10 % van de waarde van de in beslag genomen goederen voor de komiezen motiveerde hen om er sterk tegenaan te gaan. Het antwoord van de smokkelaars waren gepantserde wagens, zelfs verbouwde legervoertuigen, kraaienpoten en rookbommen. Aanvankelijk ging ik niet akkoord met deze hardere aanpak want de kraaienpoten maakten al snel de eerste slachtoffers bij de achtervolgende vliegende brigades. Maar de eerste kogel die door mijn achterruit naast mijn oor floot overtuigde me in één seconde om de strijd ook harder te voeren.  De tweede kogel zou sommige smokkelaars doen afhaken, maar leverde voor mij het bewijs dat ons materiaal niet meer voldeed. 

Het was  eindejaar 1960 en in die periode was er altijd meer vraag naar boter. Eén van mijn afnemers had niet minder dan 4.000 kilo besteld. Dat betekende vijf ritten met de kever en de DKW, telkens met 400 kg. De levering lag opgeslagen in de schuur van boer Elen in Luyckxgestel. We hadden gezorgd voor vijf posters, uitkijkers die bij onraad alarm moesten slaan. Onze vriend en stille aanbidder van Francine, Willy, vatte post aan het kantoor van Dyckmans. Mijn eigen vader waakte in de voorkamer van ons café Bambino, onze observatiepost in het dorp. Alle ritten liepen gesmeerd. Fluitend vatte ik mijn laatste rit aan. Sus zou Willy oppikken aan het kantoor. Wat ik niet wist? Langs boswegeltjes had de vliegende brigade zich verdoken opgesteld en onze posters aangehouden. Niets vermoedend passeerde ik het kantoor, maar vlak achter de bocht dook plots midden op de weg een douanier op. In zijn rechterhand zwaaide hij met een baksteen boven zijn hoofd. Ik ging op mijn rem staan en reed achteruit. De baksteen miste de vooruit en kwakte neer op de motorkap. Terug volle gas vooruit en weg was ik. Maar net over de brug had een tweede douanier midden op de weg postgevat, ditmaal gewapend met een geweer.  In plaats van te stoppen gaf ik plankgas. Op het laatste nippertje dook de douanier weg. In een flits bemerkte ik verderop een derde barricadepost met een spijkermat over de weg. Voorbij het boerderijtje van de familie Vlems draaide ik mijn stuur om en verdween in één van de bosdreven. Ik kon mijn achtervolgers afwerpen, maar verloor wel mijn uitlaat. Ondertussen had Sus Willy opgeladen en reden ze nietsvermoedend richting Lommel. De komiezen stapten samen terug in de richting van de brug en bespraken hun mislukte actie, toen ze tot hun grote verbazing de kever zagen voorbij snorren. Verbouwereerd staarden zij de kever na, maar een van de douaniers joeg hem een kogel achterna. De kogel boorde door de achterruit, floot tussen Sus en Willy en verbrijzelde de voorruit. Al rijdend klopte Sus het versplinterde glas uit de voorruit en ook zij ontsnapten. Willy zag lijkbleek en hij weigerde van toen af nog ooit als poster mee op te trekken.

 

De dood van de kever

 Ik was dol op mijn kever. Met de motor achteraan duwde hij mijn smokkelwaar door modder en zand. Daarenboven was hij onderaan beschermd met doorlopend plaatwerk waardoor hij zich bij hoge snelheid niet vast reed in de karrensporen, maar als een slee verder gleed over de middenberm. Op een lentedag in de vroege morgen snorde ik door de mistige velden richting Blekerheide. Plots merkte ik in een zijdreef de wagen van de vliegende brigade. De achtervolging richting Blauwe Kei werd ingezet. De laatste maanden beschikten de komiezen over snellere wagens. Zijhadden toelating gekregen om ook de beste aangeslagen smokkelwagens te gebruiken. Al snel hadden ze me ingehaald en gaven ze mijn kever af en toe een por in de rug. Ik wilde van geen stoppen weten, want die dag had ik 400 kg boter mee. We belandden op een zandweg vol kuilen. 0p zulk terrein was mijn kever in zijn sas. In plaats van verder de zandweg op het kanaalstort te volgen dook ik met mijn kever van de berm naar beneden en belandde zo op de hardere kanaaldijk. Wat ik gehoopt had gebeurde. Van mijn biertoer wist ik dat er op de zandweg een diepe waterplas lag. De achtervolgers durfden mijn stunt niet aan en reden zich vast in die waterplas. De vogel was gevlogen, maar had veel van zijn pluimen verloren. De uitlaat was afgebroken, het motordeksel was ingedeukt, de achterste bumper was verdwenen, een band was plat en de motor pruttelde. Ik vond het wijzer om direct naar Peer, mijn garagist en redder in nood in Balen-Wezel te rijden. Mijn kevertje werd zo goed en zo kwaad als het kon terug opgekalefaterd. Nog heel wat dolle ritten heeft hij overleefd. Tot hij bij een van de achtervolgingen in een hobbelige bosweg omhoog vloog en met een slag landde op een boomstronk. De draagbalk werd opgestuikt. De kever werd een bolhoed.

 Razia’s                                                      

De ruimte onder de trap bij mij thuis was reeds lang te klein geworden en daarom was het uitkijken naar een andere en grotere opslagruimte voor de smokkelwaar. Bij mijn schoonouders in de Molenstraat nummer 40 stond een garage, los van het huis. Een goede opslagplaats, ware het niet dat ernaast een komies woonde en de tuin grensde aan het huis van een rijkswachter in de Mudakkers. De nacht was onze vriend, maar eenmaal moet hij toch onvoldoende bescherming geboden hebben, want op een morgen stopten er enkele wagens van de douanemet een huiszoekingsbevel. 300 kg boter werd aangeslagen. Vermits de garage los stond van het huis en mijn schoonouders bleven beweren van niets af te weten, volgde er gelukkig geen proces. De douane wist verduiveld goed dat ik de smokkelaar was, maar me op heterdaad betrappen bleek een stuk moeilijker. Bij mijn ouders heb ik nooit boter gestockeerd. Dat zou al te doorzichtig geweest zijn.

Nadat de garage in de Molenstraat niet meer kon dienen, had ik mijn oog laten vallen op een bergplaats in de tuin van onze buurman Peer Hoekx. Het grote voordeel van deze bergplaats was dat we haar met de wagen konden bereiken langs de ‘servitude’ naast onze zaal. Voor het stockeren van de boter betaalden we aan de eigenaar 1 frank het kilo. De posters ontvingen 200 frank per rit en 300 frank als ze met hun eigen wagen voorop reden. Een ingehuurde chauffeur van een smokkelwagen streek tussen de 1.000 en 5.000 frank op al naargelang de waarde van de vracht. Zelf heb ikdaar maar enkele keren gebruik van gemaakt omdat ik merkte dat deze chauffeurs al te vlug wagen en smokkelwaar in de steek lieten en op de vlucht sloegen. Voor mij was één principe heilig voor een smokkelaar: ‘tot de laatste snik vechten voor de smokkelwaar’.

Het was een stikdonkere nacht. Ik had samen met Renée 350 kg boter versast tot aan brug 12. Na een test om ons er van te verzekeren dat de kust veilig was, spurtten we telkens kruiselings over de brug geladen met 50 kg. In de bosdreef achter café Den Engel tastten we onze lading neer. Toen we even uitbliezen van de geleverde inspanning hoorden we achter ons het geluid van naderende fietsen. Stropers? Arbeiders op weg naar hun werk? De fietsers stopten. Ik pakte mijn zaklamp en scheen recht in het gezicht van Van Sprengel, een echte dienstklopper bij de douane. Voor die bekomen was van het licht in zijn ogen en de verbazing, waren Renée en ik reeds in het bos verdwenen, onze fietsen en smokkelwaar achterlatend. Renée spurtte verder, maar ik bedacht me en keerde op mijn passen terug. Achter enkele dennenboompjes naast de lossingweg loerde ik de douaniers uit. Van Sprengel zag ik richting de handelszaak in bouwmaterialen van Frans Engelen stappen. Ik begreep direct dat hij een vrachtwagen ging opeisen om onze smokkelwaar naar het kantoor in de Kolonie te brengen. En inderdaad even later hoorde ik in de verte het ronken van een vrachtwagen, die achteruit in de dreef stuurde. De smokkelwaar werd opgeladen, terwijl ik terug naar de hoofdweg spurtte en me daar verborg. Toen de vrachtwagen even stopte om de hoofdweg op te draaien, verliet ik mijn schuilplaats en klom langs achter in de vrachtwagen. Op een lading wit zand lagen de fietsen en zakken boter. Vliegensvlug slingerde ik pak per pak naar buiten,  eerst langs de Gestelsedijk en verder in de Heidestraat. Op het einde van de Heidestraat hield de camion halt. Van Sprengel had onraad geroken. Vliegensvlug sprong ik uit de vrachtwagen enrende de Heidestraat in. Ondertussen had Renée alarm geslagen en recupereerde hij zoveel mogelijk pakken boter. Een deel van de buit was immers door toevallige voorbijgangers reeds mee gescharreld. Van Sprengel was razend en in zijn hemd gezet. Het ganse dorp lachte om het hele verhaal. Van Sprengel wist maar al te goed dat ik de dader was, maar op het laatste nippertje was de vis weer van zijn haak gevallen.

UA-100687733-1