Hen of Hun 

Werkwoorden met hun of hen

Hieronder staat een lijst met honderden werkwoorden (en uitdrukkingen) waarbij vaak getwijfeld wordt over de vraag of je ze met hun of met hen moet combineren. Deze lijst wordt geregeld aangevuld. 

A

aanbevelen: ik beval hun de sliptong aan
aanbidden: de kinderen aanbidden hen
aanbieden: ik bied hun mijn excuses aan
aandoen: ik deed hun een proces aan
aandoen: hoe kon je hun dat aandoen?
aandoen: ik doe hun de kleren aan
aandraaien, de duimschroeven -: hun worden de duimschroeven aangedraaid
aangaan: dat gaat hen niets aan
aangenaam zijn: de kennismaking was hun zeer aangenaam
aangeven: ik geef hun de aardappels aan
aangrijnzen: de honger grijnst hen aan
aangrijpen: het heeft hen erg aangegrepen
aanhouden: de politie hield hen aan
aanjagen: het joeg hun angst aan
aankijken: zij keek hen niet aan
aankleden: hij wekte de kinderen en kleedde hen aan
aankleven: hun vaders wangedrag kleeft hun aan
aanleren: ik leer hun de regels aan
aanmoedigen: we moedigden hen aan; ik moedig hen aan om vol te houden
aannaaien, een oor -: ze naaiden hun een oor aan
aanpraten: hij praatte hun een schuldgevoel aan
aanraden: ik raad hun aan een hoger bod uit te brengen
aanreiken: ik reik hun de boeken aan
aanrekenen: ik reken hun dit fiasco ten zeerste aan
aansmeren: hij smeerde hun een oude auto aan
aansporen: ik spoorde hen aan door te werken
aanspreken: dat spreekt hen wel aan
aanstaan: de gang van zaken stond hun niet erg aan
aanstaren: hij staart hen langdurig aan
aantrekken: wat hen het meest aantrok in Canada, was de schitterende natuur
aantrekken (iemand iets -): ik trek hun de kleren aan
aanvuren: we vuurden hen hartstochtelijk aan
aanwaaien: het komt hun allemaal maar aanwaaien
aanwijzen: ik wijs hun de bezienswaardigheden aan; de leraar wees hen een voor een aan
aanzetten: wij zetten hen aan tot spoed
aanzien: de zorgen waren hun aan te zien
achternagaan: je kunt hen beter niet achternagaan
achternagooien: ik gooide hun de tas achterna
achternalopen: de dreumes liep hen overal achterna
achternaroepen: hij riep hun van alles achterna
achternavliegen: ik ben hen meteen achternagevlogen
achternazitten: de politie zat hen achterna
achteroprijden: een lawaaiige trekker kwam hun/hen achteropgereden
adviseren: wij adviseren hun om de trein te nemen; hij adviseerde hen al jaren
afgaan, goed -: het gaat hun goed af
afleren: ik heb het hun afgeleerd
afhandig maken: ik heb het hun afhandig gemaakt
aflossen: ik los hen af
afluisteren: ik luisterde hen af
afnemen, (niet) in dank -: ik neem het hun (niet) in dank af
afnemen: alles werd hun afgenomen; zij namen hun een test af
afpakken: ik pak hun de bal af
afpersen: hij perste hun veel geld af (veel geld is lijdend voorwerp); hij perste hen af (hen is lijdend voorwerp)
afraden: ik raad hun af nu te verhuizen
afronselen: alles wat ze bezaten werd hun afgeronseld
afsnauwen: hij snauwde hen af
afstaan: ik stond hun zelfs mijn huis af
aftroggelen: hij troggelde hun al hun geld af
afvallen: zij verwachtten haar steun, maar zij viel hen af
afwijzen: zij wees hen af
amuseren: zijn betoog amuseerde hen
angstig te moede zijn: het is hun angstig te moede
antwoorden: ik antwoordde hun direct

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

B

baas, de - zijn: wij waren hun de baas
bakken, een poets -: ze bakte hun een poets
baren, zorgen -: dat baarde hun zorgen
baten: het baat hun niets
beboeten: de politie beboette hen
bedanken: de jubilaris bedankte hen
bedelven: de stenen bedolven hen
bederven: die ouders stellen geen grenzen voor hun kinderen; ze bederven hen
bedienen: de kok bediende hen zelf
bedonderen/bedotten: zij bedonderden/bedotten hen
bedreigen: zij bedreigden hen
beetnemen: zij namen hen beet
begeleiden: ik begeleidde hen
beginnen: het was hun begonnen om de eer
begraven: zij begroeven hen
begrijpen: zij begreep hen niet
behagen: dat behaagde hun zeer
behandelen: zij behandelt hen niet anders dan anderen
behulpzaam zijn: ik ben hun behulpzaam
bekend voorkomen: het kwam hun bekend voor
bekend zijn: hier was hun niets van bekend
bekendmaken: ik maak het hun morgen bekend
bekennen: hij bekende hun zijn wandaden
bekomen: het gekruide eten bekwam hun slecht
bekoren: het kon hen niet bekoren
bekritiseren: zij bekritiseerden hen
bekruipen: een angstig gevoel bekroop hen
beledigen: hij beledigde hen
belemmeren: het kan hen belemmeren
beletten: de bewaker belette hun door te lopen
believen: het belieft hun aanwezig te zijn
bellen: heb je hen nog gebeld?
beloven: ik beloofde hun goed op te passen
beminnen: ze beminden hen
bemoeilijken: ik wil hun het werk niet bemoeilijken
bemoedigen: de steun van de buren bemoedigde hen
benadelen: we hebben hen benadeeld
benaderen: zou je hen niet willen benaderen voor het ceremoniemeesterschap?
benemen: de hitte benam hun de adem
benijden (= 'jaloers zijn op'): ik benijd hen niet
benijden (= '[iemand iets] niet gunnen'): ik benijd hun hun succes
beperken: dit kan hen beperken
bereiken: het bericht bereikte hen nog net op tijd
berekenen: hij berekende hun veel te weinig voor die klus
berichten: ik bericht het hun
berokkenen: hun wordt schade berokkend
berouwen: het berouwt hun
beroven: zij beroofden hen; zij beroofden hen van het leven
beschermen: het vuur beschermde hen tegen de kou
beschikking, ter - staan: het staat hun ter beschikking
beschoren zijn: hun was een gelukkig leven beschoren
besparen: ik bespaar het hun
bespotten: zij bespotte hen
best, wel - zijn: het was hun wel best zo
betaald zetten: ik zal het hun ooit betaald zetten!
betalen: ik betaal hun honderd euro (bedrag als lijdend voorwerp); ik heb hen al betaald (hen is lijdend voorwerp)
betamen: dat gedrag betaamde hun niet
betreffen: het betreft hen
betrekken: we moeten hen erbij betrekken
betoveren: zij betoverde hen
beu zijn: ik was hen beu
beurt, te - vallen: een grote eer viel hun te beurt
bevallen: het beviel hun goed
bevelen: ik beveel het hun
bevestigen: dat bevestigde hen in hun gelijk; ik heb hun bevestigd dat we komen
bevreemden: het bevreemdde hun/hen (beide mogelijk)
bewapenen: ze bewapenden hen
bewegen: ik wil weten wat hen beweegt
bewieroken: ze bewierookten hen
bewijzen: ik kon hun bewijzen dat ik de waarheid sprak
bezielen: wat bezielde hen?
bezighouden: hij hield hen uren bezig
bezoeken: zij bezocht hen trouw elke vrijdag
bezorgen: ik bezorgde hun een leuke dag
bezuren: dat zal hun bezuren
bezweren: hij bezwoer hun hier met niemand over te praten
bieden: zij bood hun 50 euro
bijblijven: het bleef hun bij
bijbrengen: een plons water brengt hen wel weer bij
bijbrengen: hij bracht hun interesse voor klassieke muziek bij
bijhouden: we konden hen nauwelijks bijhouden
bijstaan: een advocaat stond hen bij
bijvallen: de anderen vielen hen bij
binden: er is veel dat hen bindt
binnen, te - schieten: het schoot hun opeens te binnen
blaam treffen: hen treft geen blaam
blijken: dat bleek hun te veel
fascineren: de feliciteerde hen met hun jubileum
blij maken: ijsjes maken hen blij
blinddoek, een - voor ogen houden: ik hield hun een blinddoek voor ogen
bloed, het - onder de nagels vandaan halen: ik haalde hun het bloed onder de nagels vandaan
bloed, het - naar het hoofd jagen: het joeg hun het bloed naar het hoofd
bloed, in het - zitten: het opkomen voor anderen zit hun in het bloed
blootstellen: hij stelde hen bloot aan gevaar
boeien: de voorstelling boeide hen zeer; of hun reactie wel of niet kwetsend was, boeide hen niet
boeken: ik heb hen geboekt voor zaterdag
boren, door de neus -: het werd hun door de neus geboord
borst, tegen de - stuiten: dat stuitte hun tegen de borst
brand, uit de - helpen: zij heeft hen uit de brand geholpen
brengen: ik bracht hun een bos bloemen
brengen, in herinnering -: ik bracht het hun in herinnering
brengen, op de hoogte -: ik bracht hen ervan op de hoogte
brengen naar: ik bracht hen naar het station
brengen, het nieuws -: zij brachten hun het nieuws dat ...

regels A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

C

cadeau doen: ik deed hun een servies cadeau
cadeau geven: ik gaf hun een servies cadeau
coachen: tot voor kort coachte ik hen
commanderen: ik commandeerde hun te luisteren
complimenteren: ik complimenteerde hen met hun nieuwe huis
confronteren: ik confronteerde hen met de waarheid
conveniëren ('passen, schikken, uitkomen'): zitting nemen in de commissie convenieerde hun niet

D

dagen: het begint hun te dagen
dak, op het dak schuiven: ik schoof hun het probleem op het dak
dank, in - afnemen: dat werd hun niet in dank afgenomen
dankbaar zijn: ik ben hun dankbaar
danken: wij danken hen voor hun bijdrage
dankzeggen: ik zegde hun dank
das, de - omdoen: hun leugens deden hun de das om
deel, ten - vallen: veel geluk viel hun ten deel
deren: de kou deerde hen niet
deugd doen: de lof deed hun deugd
deur, de - wijzen: hun werd de deur gewezen
dicht, te - op de huid zitten: ze zaten hun te dicht op de huid
dienen, tot iets -: hun geloof dient hun tot richtsnoer
dienst, van - zijn: ik ben hun van dienst met mijn klopboor
dienste, ten - staan: mijn klopboor staat hun ten dienste
dierbaar zijn: ze raakten alles kwijt wat hun dierbaar was
diets, iets - maken: hij maakte hun van alles diets
discrimineren: zij discrimineerden hen
doen (= 'aandoen'): onze Bello zal hun niets doen
doen (= 'een gevoel teweegbrengen'): klassieke muziek doet hun weinig
doen denken: Giethoorn deed hen aan Venetië denken
doen, erom te - zijn: het was hun om iets anders te doen
doen huiveren: de kou deed hen huiveren
doen, te - staan: ze weten wat hun te doen staat
doen toekomen: ik deed hun het bericht toekomen
dolk, een - in het hart boren: hij boorde hun een dolk in het hart
dreigen: een groot gevaar dreigde hen
drijven: ik heb geen idee wat hen drijft
droef te moede zijn: het was hun droef te moede
drukken, op het hart -: hij drukte het hun op het hart
duidelijk maken: ik probeerde hun duidelijk te maken dat het niet kon
duidelijk worden: het werd hun al snel duidelijk
duidelijk zijn: het was hun al snel duidelijk
duimschroeven de - aandraaien: we hoeven hun toch niet de duimschroeven aan te draaien
duizelen: het begon hun te duizelen
dunken: dat dunkt hun juist te zijn
duren: het heeft hun lang genoeg geduurd
duur te staan komen: dat kwam hun duur te staan
duwen, door de strot -: het werd hun door de strot geduwd
duwen: ik duwde hen naar de uitgang
duwtje in de rug geven, een -: ze gaf hun een duwtje in de rug
dwarszitten: de muggen zaten hen dwars

E

eer, tot - strekken: dit strekt hun tot eer
e-mailen: ik heb hun de stukken ge-e-maild
eigen zijn: die vrijgevigheid is hun eigen
eren: wij hebben hen geëerd
ergeren: mijn taalgebruik ergerde hen
erkentelijk zijn: ik ben hun erkentelijk voor hun hulp
ernst zijn: het schijnt hun ernst te zijn
erom gaan: het gaat hun erom dat ze inspraak krijgen
erop wijzen: ik wees hun/hen erop dat ze te laat waren (beide mogelijk; hun is verouderd)
ertoe brengen: ik bracht hen ertoe mee te doen
ervanlangs geven: ze gaven hun er ongenadig van langs
eten, te - geven: hij geeft hun te weinig te eten
evenaren: wij zullen hen wel nooit evenaren

F

fascineren: die muziek fascineert hen
faxen: ik faxte hun het contract
feliciteren: ik feliciteerde hen met hun jubileum
flatteren: het zwart-witte tenue flatteerde hen
flikken: hij flikte hun een kunstje
fluisteren, in het oor -: ik fluisterde hun iets in het oor
fotograferen: zij fotografeerde hen

G

gaan ... om: het gaat hun om het principe
gaan, goed -: het gaat hun goed
gaan, te (+ bijv. nw.)dat gaat hun te ver
gaan, uit de weg -: ik ga hun uit de weg
garanderen: ik garandeerde hun dat ik zou opletten
gebaren: hij gebaarde hun mee te gaan
gebeuren: het gebeurde hun telkens weer
gebieden: de politie gebood hun naar buiten te komen
gebruiken: hij heeft hen gebruikt en heeft hen daarna laten vallen
gedag zeggen: Anna zei hun/hen gedag
geest, voor de - komen: het kwam hun niet direct voor de geest
gehoorzamen: ik gehoorzaam alleen hun
gek maken: ze maakte hen gek met haar getreuzel
gelasten: de agent gelastte hun mee te komen
geld afpersen: de jongen perste hun geld af
gelden: onze dank geldt hun die bij het afscheid aanwezig waren
gelegen, aan - zijn: er is hun veel aan gelegen deel te nemen
gelegenheid, in de - stellen: ik stel hen in de gelegenheid te reageren
gelijk geven: ik geef hun (groot) gelijk
gelukken: het gelukte hun de race te volbrengen
gemakkelijk maken: ik heb het hun gemakkelijk gemaakt
genadig zijn: hij is hun genadig
genoegen doen: het deed hun genoegen te merken dat zij op kop lagen
geruststellen: zij stelde hen gerust
gevangennemen: hij nam hen gevangen
geven: ik gaf hun het boek; de ouvreuse gaf hun een andere plaats
geven, een duwtje in de rug - : ze gaf hun een duwtje in de rug
geven, vertrouwen - : hij gaf hun vertrouwen
geworden, doen -: ik deed hun een boek geworden
gezelschap houden: zij hield hen gezelschap
gezind zijn: het lot is hun goed gezind
gireren: ik gireer hun het hele bedrag
goed afgaan: het gaat hun goed af
goed gaan: het gaat hun goed in Australië
goed, een - hart toedragen: zij draagt hun een goed hart toe
goeddoen: het warme bad deed hun goed
goeddunken: het staat huurders vrij de woningen in te richten zoals het hun goeddunkt
goede, ten - komen: het komt hun ten goede
goedgezind zijn: zij is hun goedgezind
gortig: het werd hun te gortig
gras, het - voor de voeten wegmaaien: ik maaide hun het gras voor de voeten weg
groeien, boven het hoofd -: de zorgen groeiden hun boven het hoofd
grond, de - te heet onder de voeten worden: de grond werd hun te heet onder voeten
gruwel: dat is hun een gruwel
gunnen: ik gun hun een mooie vakantie
gunst, om een - vragen: ik vroeg hun om een gunst

H

hak, een - zetten: ik zette hun een hak
hals, om de - vallen/vliegen: ik viel/vloog hun om de hals
hals, op de - schuiven: ik schoof het hun op de hals
hand, aan de - doen: ik deed hun een idee aan de hand
hand, de - boven het hoofd houden: ik hield hun de hand boven het hoofd
hand, de - drukken: ik drukte hun de hand
hand, de - erop geven: ik gaf hun mijn hand erop
hand, de - reiken: ik reikte hun de hand
hand, de - schudden: zij schudde hun de hand
hand, ter - stellen: ik stelde hun een boor ter hand

UA-100687733-1